laving ter voorkoming van een volslagen verval te kunnen trekken. Gebrek aan broodwinning baarde armoede en als een onvermijdelijk gevolg ook gebrek aan onderwijs, losbandigheid en kwade zeden.”
Het leerprogram bestond uit de volgende vakken: le. de Nederduitsche taal als moedertaal;
2e. de Portugeesche taal, als zijnde der Gemeente bijzonder eigen en die, waarin alle predikaties en afkondigingen in de Synagoge geschieden;
3e. de schrijf- en cijferkunst;
4e. de algemeene begrippen der aardrijkskunde;
5r. ' de algemeene begrippen der Zedekunde, de voornaamste inhoud der Geschiedenis en Staatsgesteldheid des Vaderlands.
De leerlingen, die den ouderdom van vijftien jaar hadden bereikt, ontvingen hun ontslag. De schooltijden waren van elf tot één en half drie tot half vijf, of naar gelang van den aanvang van het middaggebed in de Synagoge, van vier tot zes of van half vijf tot half zeven. Twee maal per jaar vond een examen plaats. Het eerste jaar telde de school vijftig leerlingen, in 1817 reeds 207 (120 jongens en 87 meisjes), welk getal in de volgende jaren nog toenam.
Het godsdienstonderwijs bleef nog eenigen tijd aan „Ets Haim” toevertrouwd, doch werd in 1820 eveneens aan de „Armenschool” opgedragen, welke daardoor geheel het karakter van een bijzondere school verkreeg. „Ets Haim” verkreeg echter het récht, gezamenlijk met Regenten der School het Hoofd te benoemen, wiens salaris dit genootschap uit eigen middelen moest bekostigen.
Gelijk wij later zullen zien, werd deze school (welke de benoodigde gelden verkreeg uit een subsidie der Portugeesche Gemeente, vrijwillige bijdragen en tot 1860, na de Wet op het Lager Onderwijs van 1857, uit subsidié van het Rijk), in 1870 opgeheven.
LITERATUUR.H. Graetz, Geschichte der Juden, X3. p. 351 v.v.; XI2. Leipzig, 1900. p. 214 v.v.