overlegt ze bij zichzelf, dat het weerzien eigenlijk meegevallen is. Het moest er immers toch van komen ? En nou weet hij het meteen.
Met een klap slaat het hek achter den thuiskomenden jongeman dicht. Zijn voor het raam zittende moeder kijkt op en slaat van vreugde haar handen in elkaar.
„Neen maar, daar heb je onzen Piet!”
In een ommezien ligt ze in de armen van haar zoon.
„Nou, nou, Moeder, niet huilen, ik ben toch weer bij je?”
De moeder geeft geen antwoord. Enkel het schokken van haar schouders verraadt haar emotie. Als ze echter zichzelf weer meester wordt, uit zij een maandenlang opgekropt verlangen in een paar simpele woorden:
„Piet, jongen, ik heb je zo ontzettend gemist.”
De andere Haftling staat in Den Haag op de tram. Alle mensen, wat kijkt die conducteur chagrijnig. Gek eigenlijk, hij, Haftling 150B, die aardappelschillen als lekkernij heeft genuttigd, staat hier te lachen en de conducteur, die waarschijnlijk nooit in een kamp gezeten heeft, kijkt sip. Ai, wat zijn de winkels in die tussentijd leeggeplunderd en wat staat die haag daar hoog. Het plantsoen is haast niet meer te herkennen. O, de conducteur is om een smoesje ^rlegen. Met een kaal hoofd loop je direct in de gaten.
„U hebt zeker heel wat meegemaakt ?”
„Gaat nogal,” maakt de Haftling er zich van af.
Kom op, tram, houd de gang er in. De conducteur druipt af. Nu nog twee straten verder. Ja, we zijn er. Binnen enkele minuten staat de Haftling voor zijn deur. Bellen is niet meer nodig, want hij hoort al hoe zijn voor het raam spelend dochtertje hem aankondigt: „Moeder, er staat een kale mijnheer voor de deur.” Vlugge voetstappen in de gang, een openzwaaiende deur ...
„Lieveling!”
EINDE
156