En het was jouw beurt nu om te drinken, en toen je den vollen beker hief, sprak je met een innig ogenblinken:
,,'k Drink vergetelheid je toe, mijn lief!
Wild greep ik den beker, dien je beurde, en wierp hem wanhopig in den vloed, hij verzonk, en zie, je wangen kleurden zich op eenmaal met een schijn van bloed.
Teer omhelsd' ik, smekend om erbarmen, die den bleken mond mij willig bood.
Met een glimlach smolt je m mijn armen en ik wist het weder: je bent dood.
(Naar C. F. MEYER)
23