Maar moeder is binnen. Daar heeft die arme vader toch maar goed voor gezorgd.
In de psychiatrische kliniek ligt Johan Alberts plat te bed. Hij leeft bij vlagen op, maar meestal is er niets van leven aan hem te bespeuren.
Alles gaat verder. Het leven verandert langzaam. Groote schokken komen zelden voor. Zij, die moeten bestaan, bewegen zich, laten vluchtige sporen achter. Figuren in het zand, die weldra zullen vervlakken en worden uitgewischt onder den alles verstuivenden wind.
Men kan dit gebeuren aanzien of er zich van afwenden. Zoowel het eene als het andere is menschelijk. De wind zal er niet om verminderen en het stuiven zal niet aflaten.
En misschien is het goed zoo. Men doet het beste door optimisme te betrachten.
152