maken. Een klein oogje mocht ze toch wel naar het verboden terrein werpen. En Dries wierp tweegroote oogen naar Toos. Hij luchtte wat uit, zoog aan een sportief, klein pijpje, tuurde een beetje naar de lucht. Maar dit toetje van zeventien, achttien jaar was aardiger dan die vuile wasch-kleur daarboven. Een werk- of burger -mansdochtertje. Maar een waar je dol van werd.
Zij moest er natuurlijk voorbij. Op vijf a acht meter afstand kan een zwijgende uitwisseling van indrukken zonder bezwaar plaats hebben. Zij voelden zich naar elkaar toegetrokken.
Toos keek schichtig naar de overzijde. Geen kip te zien. Zaten waarschijnlijk aan tafel.
Dries haalde haar met een lief, gefluisterd woordje naar zich toe. Toos stond in volle vlam. Wat een heerlijke vent! Wat een oogen!
Maar zij liep door. Zij was nu eenmaal bang. En dus moest Dries haar een paar passen vergezellen om zijn verlangen naar een ontmoeting, dien avond, kenbaar te
124