HUWELIJK
De avond is voorbij, wij gaan naar bed; weer opent zij het witte lakenveld, weer wacht haar mond tot ik het stempel zet en haar het leven van mijn lichaam meld.
Nog even zie ik in het blanke licht de diepe spiegels van haar ogenpaar en word tot in het merg van mijn gewricht de huivering van haar bestaan gewaar.
Dan schuiven wij tezamen in de tent der lage nacht en houden ons gereed voor wat het donker in ons openbaart.
Als ik mij langzaam tot haar warmte wend, zie ik de tijd die van geen einde weet lichtend gespannen staan rondom de aard.
25