was afgewezen en het nu in het komende najaar moest overdoen. Samen liepen ze de stad in.
Hans vertelde hem niets van de wonderlijke wijze, waarop hij in de afgelopen zomer fortuin had gemaakt. Er had wel iets over in de kranten gestaan, althans over de opheldering van het mysterie der verdwenen vrouw, maar niet iedereen las de kranten nauwkeurig. Bovendien was Gil-horst een poosje in het buitenland geweest.
„Dat heb ik nog voor de boeg!” zei Hans.
„Ik benijd je,” antwoordde Gilhorst. „Kun je nog reisgezelschap krijgen of ga je alleen?”
„Nee, ik ga in heel prettig gezelschap,” verklaarde Hans. De ander merkte het verstolen glimlachje niet op, waarmee Hans deze woorden zei. Hij wilde weten waar de reis naar toe ging. En hij was verrukt, toen hij hoorde, dat het misschien wel Noorwegen zou worden. Dat kende Gilhorst niet, maar hij was in Denemarken geweest, om zo te zeggen in het zicht van de Noorse kust. Helaas hadden zijn tijd en zijn geldmiddelen hem niet veroorloofd, over te steken.
Ze begaven zich naar het restaurant, waar ze gewoonlijk aten. En toen ze daar aankwamen, wachtte Hans een zeer bijzondere verrassing. Want wie zat daar aan een tafeltje bij een van de ramen? Niemand anders dan Marie!
Hij snelde op haar toe, wierp zijn tas met boeken op een stoel en greep haar beide handen.
„Nee maar! Hoe kom jij hier?”
„Met de trein natuurlijk!” antwoordde zij lachend.
„Ja, maar ik bedoel: hoe kom je juist hier, in dit restaurant?”
„Heel eenvoudig. Je hebt immers gezegd, dat je hier
259