worden gehouden door de man, wiens naam reeds een kwelling voor haar moest betekenen, als pseudo-rent-meester te laten optreden! Nu een curatele blijkbaar niet was door te drijven, zocht mevrouw Arnault haar doel langs deze weg te bereiken.
Bij nader inzien verging Hans echter de neiging tot lachen. Dit was niet iets belachelijks, het was een soort sluipmoord op een weerloze. Deze overweging gaf hem de kracht op te staan, de deur te openen en tot zijn bezoekster te zeggen:
„Mevrouw Arnault, ik geloof, dat wij uitgepraat zijn!”
De bezoekster was te welopgevoed om hierop iets te antwoorden, maar haar gelaat verried duidelijk haar woede. Met opeengeklemde lippen schreed zij de kamer uit, terwijl zij haar tasje heftig omkneld hield. Even later klapte het portier van de kleine auto met een nijdige slag dicht.
Hans meende, dat hij tegenover mevrouw Arnault zoveel houding had getoond, dat hij niet bang hoefde te zijn voor Maries commentaar. Misschien zag zij verder dan hij, toen zij verklaarde:
„Er zit veel meer achter dan je denkt. Ze willen de een tegen de ander uitspelen en jou in een warnet van intriges verwikkelen. Laat je met die mensen niet meer in, het is een gevaarlijk stel!”
Later zei Marie nog:
„Ze heeft je een vergoeding aangeboden, die lieve dame! Nu, daar heb je langzamerhand ook wel recht op. Wie zo lang loopjongen en wrijfpaal is geweest als jij, heeft wel een beloning verdiend!”
’s Avonds in bed moest hij aan deze woorden terugdenken.
218