gegeven.
In zijn hoog opgevlamde geestdrift geloofde Bauer soms, dat hij iets voorbereidde van zeer grote betekenis. De zaak zou een omvang aannemen, die alle verwachtingen te boven ging. Honderden zouden een nieuw bestaan vinden. Het commerciële element zou geheel in dienst staan van het grote, sociale doel.
De ontnuchtering bleef niet uit. Zij overviel hem als een storm, die schudde aan de grondslagen van zijn leven. Achter Bauers bakkerij was een lap grond gelegen, die nu gedeeltelijk werd gebruikt voor de uitbreiding van het bedrijf. Aan de grens van dit stuk grond stond een huisje, niet veel meer dan een krot. Marcussen, de eeuwige tegenspeler, bleek dit hoopje puin onlangs te hebben gekocht. Hij zette zijn huurder aan, op grond van de Hinderwet tegen de uitbreiding van de bakkerij op te komen. Verspijk, de arme drommel, die het krot bewoonde, liet er zich voor vinden.
‘Kijk/ zei Marcussen, ‘je denkt misschien, dat je er geen last van zult hebben. Maar let op mijn woorden: je krijgt vlak bij je huis een schoorsteen, die dag en nacht roet braakt. En dan: wat zal er niet voor een rumoer komen! Allerlei machines laat ie opstellen! Gelukkig, dat er een wet is, die je beschermt!’ Verspijk bracht zijn bezwaren in op de dag, die daarvoor was bepaald. Van Bork, de wethouder, nam er kennis van en beloofde een onderzoek. Het was een zonderlinge historie. Van dezelfde Van Bork had Bauer al weken geleden verlof voor de verbouwing gekregen. Nu bleek opeens, dat de bezwaren van de buurman gedeeltelijk juist waren.
‘Dat noem ik beleid!’ zei Bauer. ‘Moet ik de zaak nu weer veranderen? De kerel heeft nergens last van, maar ze moeten en zullen me treiteren zolang ik ademhaal/
Niet tegen Van Bork, de goedige domkop, was zijn woede gericht, maar tegen Marcussen, het adderbroedsel. Het scheen hem opeens, dat de aardigheid van de zaak af was. Hij kon niet leven in een plaats, waar hij geen stap kon verzetten, zonder tegenwerking en haat te ontmoeten.
Dit incident, dat eigenlijk niet veel om het lijf had, werd gevolgd door een tweede. Op een nacht drongen onverlaten in het half voltooide bouwwerk door, sloegen ruiten in en bereidden zich voor om verdere vernielingen aan te richten,
100