oord zou niet alleen een badhotel krijgen, het zou ook de plaats van herkomst van een geliefd consumptieartikel worden.
Het enthousiasme van Koos kon hij niet delen. Het plan was goed, hij zou er zich aan willen wijden met al zijn kracht. Hij zou weten iets te doen voor zijn medemensen. Maar die medemensen zouden alleen de nieuwe geldbron zien, die de kapitalist Bauer had aangeboord.
Dit was weer iets om met Blom te bepraten, een zaak van gezond verstand. Blom prees Koos hogelijk. Een mens kon natuurlijk ook schoensmeer of horloges produceren, zei hij. ‘Dat maakt niets uit. En het hoeft niet eens goed te zijn, als de reclame maar doeltreffend is. Maar dit lijkt me juist iets voor jou. Het ligt in je vak en je zult het goed doen, maar toch zo, dat je er een behoorlijke cent op overhoudt.’
‘Dat zullen ze me verwijten.’
‘Ze zullen je altijd van alles verwijten. Jouw ongeluk is, dat je altijd veel geld zult hebben, altijd meer zult krijgen. De meeste mensen hebben het ongeluk, dat ze tekort komen. Het laatste lijkt me altijd nog iets erger. Overigens zul je, met of zonder beschuitfabriek, in dit leven het paradijs niet betreden/
‘Dus je ziet er geen heil in?’
‘Ik zou het proberen. Je moet alles proberen, wat je uit je oude kringetje kan wegtrekken. Kijk, ik verwacht geen wonderen, ik ben maar een sceptisch individu. Maar als je je armen kunt uitslaan, geweldige dingen doen, je althans verbeelden dat je geweldige dingen doet, dan moet je dat niet laten. Je hebt het vroeger misschien te hoog gezocht. Dit is niet te hoog, het is degelijk.’
Deze woorden vuurden hem aan. Het plan kreeg vat op zijn verbeeldingskracht. Hij voelde een nieuwe stroom door zijn aderen lopen, de drift naar daden werd in hem wakker. Maar hij bleef de voorzichtige zakenman. En ook de afkerige van roem. Zijn naam zou door het land gaan, had Koos gezegd. Voorzover het aan hem lag, zou dat niet gebeuren. Er moest een onschuldige firmanaam zijn, een handelsmerk. ‘De Phoenix’, dacht hij. De vogel, die uit zijn eigen as herrees. Een goede naam. Er bestond geen dood, geen ondergang, het leven triomfeerde altijd. Zijn bedrijf zou dat demonstreren. Er zou vreugde heersen, arbeidsvreugde. Niet wat men er maakte was
98