De arbeid, die hij verschafte was goed, zij stelde de mensen tevreden. Hij was een vader voor hen, zij het een vader, wiens gevoelens zich in schuchterheid en norsheid verschansten. Hij kon niet anders dan van hen houden, ondanks hun zwakten en ondeugden, ondanks hun levenswijze, die zich meer en meer naar de nieuwe richting oriënteerde. Kon men liefhebben en haten tegelijk? Kon men de mensen losmaken van hun gewoonten, hun omgeving, en wat men dan overhield liefhebben met een hartstocht, die in geen verhouding stond tot de waarde, die het verstand aan deze zelfde mensen toekende? Het kon. De gespleten, verscheurde Jan Bauer kon het. Zijn innerlijke bewogenheid, die dieper en rijker werd met de jaren, moest alles en allen wel omvatten, en prijzen wat hij vervloeken wilde. Het zingen, dat hij in het vroege voorjaar had gehoord, trof weer zijn oor. Maar het werd telkens teruggedrongen en overstemd door de wanklanken van het alledaagse leven.
Zo, beurtelings hoog opgevoerd en diep neergesmakt, ging hij de zomer door. Er werd al over een verdere uitbreiding van de fabriek gedacht. En opnieuw kwam hij tegenover zijn tegenstander Marcussen te staan. Deze was langzamerhand verschrompeld tot een met vel overtrokken geraamte. De boosaardigheid scheen zijn lichaam uitgemergeld, zijn huid gelooid te hebben. Maar zijn zintuigen waren waakzaam gebleven. Hij rook het komende conflict, zoals de duivel de lucht moet krijgen van een wankele ziel.
Het krot achter Bauers terrein was een sta-in-de-weg voor de uitbreiding. Verspijk, de bewoner, was na zijn aanslag op de fabriek tot enige weken gevangenisstraf veroordeeld. Sindsdien had hij zich koest gehouden. Zelfs was hij een keer bij Bauer verschenen, om hem zijn spijt over het gebeurde te betuigen. Hij was door zijn gevangenschap in moeilijkheden geraakt. Zijn vrouw, die aan een ernstige ziekte leed, moest versterkende middelen hebben. Bauer gaf hem een klein bedrag. Daarmee was de vrede tussen deze mannen getekend. Marcussen echter wist, waar het Bauer betrof, van geen vrede. Het had geen zin, met hem over de aankoop van het huisje te praten. Hij zou er zich aan vastklemmen als een roofdier aan zijn prooi. Reeds vertelde hij overal, dat hij Bauer opnieuw een hak ging zetten. Zijn benige kaken gingen bij het spreken snel op en neer, alsof hij zijn slachtoffer fijnkauwde. Het tandeloze
118