heid in wereldse dingen zal ook het geloof verdwijnen!’
‘Je spreekt als mijn meest reactionaire gemeentenaren. Matigheid! Maar dan toch gedwongen door de ellende. In veel gevallen mocht het geen matigheid heten, maar verpaupering. Dat weet jij beter dan wie ook. En wat het geloof betreft: ik ken de krachten, die bezig zijn het te ondermijnen en ik schat ze niet gering. Ik zal alles doen wat in mijn macht is, om ze tegen te gaan. Maar voor het overige mogen en moeten we er op vertrouwen, dat Christus Zijn kerk niet in de steek laat.’
CU zegt, dat u de ondermijnende krachten zult tegengaan. Hebt u speciale maatregelen op het oog?’
‘Je zou geen slechte krantenman zijn. Een interviewer kan het je niet verbeteren. Speciale maatregelen? We hebben onze mannen- en vrouwenverenigingen, en onze verenigingen voor jongelui. We zullen proberen, daar meer mensen heen te krijgen, ze te doordringen van de gevaren van deze tijd.’
Bauer was weer gaan zitten. De rustige woorden van de predikant deden niet vermoeden, dat de gevaren dringend waren, zo dringend als ze hem in zijn verbeelding verschenen. De bakker schudde het hoofd.
‘Ben je niet tevreden?’
‘Nee, ik ben niet tevreden, dominee. Noem me een dwarsdrijver of een gek, maar ik ben niet tevreden. Ik zie dingen komen, die door geen kerkelijke vereniging kunnen worden tegengehouden. Er wordt door de gasten van het hotel in zee gebaad. Ook volwassen mensen van ons dorp zijn al in ’t water gegaan. Een onschuldig plezier, vindt u misschien. En ik wil niet zeggen, dat er iets schuldigs in steekt. Maar het komt later.’
En opeens, alsof hem een licht opging, sprak hij heftig:
‘Dat is de kern: niet wat ze doen, maar hóe ze het doen. Ze apen na, ze verliezen hun houvast, hun karakter. Straks hebben ze geen kern meer, waarin je ze kunt raken. Dan zijn het alleen nog maar stomme en blinde genotzoekers, maar geen mensen meer, met wie je kunt praten.’
‘Laten we dat afwachten, Bauer. Ik zeg niet, dat je ongelijk hebt. Ik vind je kijk op de zaken zelfs scherpzinnig. Maar vergeet niet, hoe weinig mensen van nature een vaste kern hebben. De meesten zijn wankel, vatbaar voor allerlei invloeden. Jij niet. Jij kunt alleen staan. Maar dat kun je niet van
116