stilte te verwensen, maar ze gehoorzaamde, zoals ze altijd gedaan had. Haar moeder stond belangstellend toe te kijken. Hoven bracht zijn hoofd tot vlak boven het hoofd van zijn dochter en bestudeerde de deurstijl alsof hij een geheimzinnig teken wilde ontcijferen. Toen bukte hij zich plotseling en keek naar Thea’s voeten. 'Je hebt bijzonder dunne kousen aan!’ zei hij. Ze kon haar houding niet meer bewaren en deed een stap opzij. 'Gewone kousen’ zei ze. 'Dan ben je kleiner geworden!’ zei haar vader op een toon die zowel woede als wanhoop verried. Het geduld van zijn dochter was uitgeput. Ze schoof hem de gang in, mompelde 'Waanzin!’ en deed haar deur op slot.
Had Hovens vrouw hem op dit ogenblik niet bij zijn schouder gepakt en meegetrokken, dan zou hij waarschijnlijk zijn omgevallen. Hij wankelde, hij kromp ineen, hij verschrompelde. Als een zak liet hij zich meeslepen naar de echtelijke slaapkamer. Daar zette ze hem op zijn bed neer. Zijn mond bewoog, vermoedelijk zei hij iets, maar door de wind en een juist tegen de ramen kletterende regenbui kon ze onmogelijk uitmaken of hij werkelijk sprak. Het kon haar ook niet schelen. Hij moest naar bed, slapen, uitrusten, weer een normaal mens worden. 'Kleed je uit!’ zei ze resoluut. Hij begon aan zijn das te frommelen. Zijn hoofd was kennelijk niet bij datgene wat zijn handen deden. Hij schoot zo langzaam op dat hij zich pas van zijn das en jasje had ontdaan toen zijn vrouw al onder de dekens kroop en het plafondlicht uitdeed. Alleen het nachtlampje in de hoek bij de wastafel brandde nog, een gele stip in het van natuurgeluiden vervulde donker. Hoven zag de stip niet en hij hoorde de geluiden niet. Hij was niet meer kwaad en evenmin wanhopig. Hij dacht na, ingespannen maar kalm. Hij hoorde niet dat zijn vrouw hem vroeg of hij in bed kwam. Haar stem was trouwens amper verstaanbaar gemurmel van een half slapende. Hoven daarentegen richtte zich hoe langer hoe meer uit zijn verschrompeling op. De gele stip in de kamerhoek keek hem aan,
44