VIII.
Kareltje van Swieten is bij Oma op visite geweest en brengt van daar het groote nieuws mee, dat tante Fie al sinds een dag of vier, vijf haar intrek ten huize van mr. Bonger heeft genomen. En Kareltje, die nu eenmaal zeer schrander is, vroeg of Oma gehoord had hoe het met den patiënt gaat. Gistermiddag was tante even thuis geweest en ze zei, dat het een langdurige geschiedenis was.
Trees vraagt haar man: — Hooren jullie op kantoor niets van hem?
— Nee, niets, antwoordt hij.
Het bericht maakt indruk op hem. Bonger houdt hij, ondanks zijn vreemde kuren, voor een eerlijken jongen, maar Fie is een geraffineerde slang, die God weet wat met den zieke uithaalt, om er maar een slaatje uit te slaan. Hoe komt hij nu aan zoo’n leelijke verdenking? Wat heeft Fie hem gedaan, dat hij zooiets durft denken? En is er bovendien niét een dokter, die zich niet door haar in de luren zal laten leggen — zooals hij...
Het lijkt zoo eenvoudig om even pension Rijnders op te bellen en naar zuster Roos te vragen. Maar hij twijfelt er nauwelijks aan, of ze zal hem een onverschillig antwoord geven.
90