XV
HET KRACHTMIDDEL•K. wil het u bekennen:
Ik heb bij mijn geboorte de groote fout 1 begaan als een der jongsten te verschijnen. Alles wreekt zich hier op aarde. ,Ik zou nu als derde meisje, dat weinig in leettijd met de ouderen verschilde niet in aanmerking komen bij alle mogclijkc feestvieringen van familie en kennissen. Ik heb daaronder zeer veel geleden en heb daarom later bij de opvoeding van anderen als ik mijn invloed kon doen gelden dergc-lijkcn laatkomertjes dit verdriet bespaard. Wij meisjes waren in twee groepen ingcdeeld, de drie oudsten vormden de eenc en het jonge zusje, een zwak troetelpopje, de andere. Zij stond buiten onze plichten en rechten. Dat het voor een kind moeilijk valt te dragen, in plichten met oudere zusjes gelijk gesteld te worden zonder in hare genietingen te mogen dcelen, ondervond ik bij elke uitnoodiging, die de zusjes ontvingen meer en meer. Mijn uitsluiting was bovendien daarom zoo veelvuldig, omdat ik me als afstammelinge van een zeer geloovige Semitische familie mocht verheugen in het bezit van — als naaste bloedverwanten — grootouders van weerskanten, veertien ooms en tantes met hunne cchtge-nooten en het belangrijke aantal nichten en neven zijnde zeven en vijftig, welke familieleden — ieder op hun beurt — waardig werden gekeurd op gegeven tijden als middelpunt van de een of andere feestviering te fungeeren. Als een wreedc marteling klonk me telkens opnieuw in de ooren: de Heer en Mevrouw X. hebben het genoegen de beide oudste