132
„HET SLEETJE”
In mijn brooddronkenheid had ik onbewust den langen tijd, plastisch uitgemeten, dat als tclcpho-neeren aan de klas werd gevonnist.
Voor het sleetjcvaren zou ik mijn lijf en ziel gegeven hebben. Het werd me tot hartstocht.
„Kinderen A worden gehaald”, klonk het bazuingeschal door de zaal. En als de donder na den bliksem, verschrikte het „Zusje mag niet mede,” daarna mijn hart.
Uit groote devotie, voor zulk een hoogerc, onverwachte, onberekenbare Macht, viel ik op mijn knietjes voor de juffrouw en beloofde onder innig berouw, een weck na te blijven, altijd verder zoet te zijn. tot honderd jaar, als ik nu maar mede mocht gaan . sledevaren.
,,Ik mag sledevaren, dat weet Juf heusch niet. . er is een sleetje. . . een prikje. . . een ijsprikje Ma God heeft een sleetje. Juf
Juf. .
„Ze moet een uur nablijven voor haar lastig gedrag van den geheelen middag.”
Aaltjes oogen schoten vol tranen.
Ze bad om vergiffenis voor haar lief kind.
Ze draalde ze wachtte . . op wat ? Hoop
te ze nog met me. dat de onderwijzeres begrijpen zou. voelen zou.
Zonder eenige ontroering in haar ziel, beval ze kalm.
„Gaat u heen, meisje. Het kind zal gehoorzaamheid leeren. Ze heeft dit pretje niet verdiend.”
Het dienstmeisje moest zich loswringen uit mijne omhelzingen.
Snikkend, gewond viel ik op den grond en kroop als een getrapte hond naar mijn bank terug.