MIJN EERSTE ONTGOOCHELING
I 28
overliet, wel wetende dat deze in goede handen was, trad hij bij dcrgclijkc ernstige zieleconflicten van het kind altijd handelend op. Moeder gaf toe, dat ze de zaak had moeten voorstellen, zooals ze werkelijk was en me had moeten dwingen met het jurkje van „acht centen een el” vroolijk naar de partij te gaan, alleen omdat zij dat goed vond. Door het onbegrensd vertrouwen, dat ik tot nu toe in haar had gehad, zou het hoonliedje me zeker minder hard en wellicht in het geheel niet hebben getroffen. Vader vond, dat deze daad niet even streng gestraft moest worden als elke onbehcerschtc gewelddaad, omdat ik in de straf, nu Moeder zelf aanleiding er toe had gegeven, bij kalme overweging altijd een onrechtvaardigheid zou zien. Moeder maakte van het geruite lapje, dat ze nog over gehouden had, een eenvoudiger jurkje, waarmede ik veertien dagen later op het kinderbal in het „Park” moest verschijnen. En dat het kind over het meest diepe leed veel gauwer heen is dan de volwassene, bewees ik weer hierdoor, dat ik toen even vroolijk in de kamer ronddanste, terwijl ik op het rijtuig wachtte als op den bewusten avond. Ik suggereerde me nog even bij het binnentreden van de zaal het jurkje als boetckleedje te beschouwen, maar daar behoedde me al heel gauw „het cwig weibliche” voor. Twee kapertjes, toen onze Oweërtjes, van dertien en twaalf jaar, vroegen mijn zevenjarig zusje en mij negenjarige dadelijk voor den eersten dans. Ze hadden sinds twee jaar een „Mademoisellc” en niet wetende, dat wij, als gevolg van zeer naaste Fran-schc familieleden, evenzeer goed Fransch verstonden, gaven ze hunne opmerkingen elkaar echt onbeschaafd in het Fransch te kennen.
„J’ai une beauté,” schepte mijn Adolf op.
„Moi aussi,” pochte zus’ Sandertje terug.
Une beauté!.... une.... bea.... té, une....