XX
MIJN EERSTE ONTGOOCHELING OMTRENT DE ONFEILBAARHEID VAN DEN MENSCH
„Acht centen kost een el Koop ze me af, ’t is voor je wel.
Ik heb ze bruin en blauw en rood,
Je hebt deran tot an je dood.
Uitzoeken maar, uitzoeken maar, acht centen
'n cl!”
Met dit hoongczang werd ik door een troepje jongens begroet, toen ik fier door zelfbewustheid, gekleed in een beeldig blauw geruit jurkje het feestlokaal „Eik en Linde” binnentrad om de verjaarpartij van het hoofd der school mede te vieren. Dat ik trotsch was op mijn mooie kleedje was waarlijk wel te verklaren. Men had me toch thuis zoo bewonderd. Wat chique! ... en zoo fijn!.... Daar mag je zuinig op zijn, zoo 'n jurkje krijg je niet licht weer. Dergelijke uitroepen had ik van de verschillende huisgenooten gehoord, terwijl ik rond-dansende op het rijtuig wachtte. Moeder had meê-gedaan. Een klein kind, dat waarheid en leugen nog niet recht weet te onderscheiden, en van haar lieven, alleen oprechtheid verwacht, voelt zich inderdaad gevleid door een dergelijkc bewondering. Het was bovendien heel begrijpelijk, dat ik me voor den gek had laten houden: het jurkje leek fijn, het was chique. Moeder had er zelf aan mede gewerkt. Het was volgens de toenmalige mode geheel ingehaald en bijzondere werkjes liet ze nooit aan de huisnaaister over. Reeds acht dagen te voren had het als een kleinood, bedekt door Moeders bruid-sluier om het tegen mogclijke besmetting te vrij-