OP PARTIJ IN HET WEESHUIS
123
Ieder smeekte om het prinsesje naast zich te mogen hebben, welke gunst alweer als in het gewone huisgezin eerlijk werd verdeeld. Riekje leek me nu zelfs in plaats van een beklagenswaardige, een bevoorrechte Baby. Het werd één snoepen, zingen en stoeien den gehcelen avond en tot slot stelden de oudste meisjes levende beelden voor, tafereelcn uit de Bijbelschc geschiedenis, alle betrekking hebbende op de liefde voor de menschheid. Luid applaus viel hun ten deel, want ze hadden bovendien met heel weinig middelen de costuums zelf vervaardigd. Onder dankbetuiging en kusjes van de kleintjes en innige handdrukken van de groote meisjes gingen op het eerste verzoek van Moeder allen met van vreugde stralende gezichten naar de slaapzaal. Bij het „nacht Moedertje. . . . nacht Moedertje, wel bedankt", van de kleintjes werd ik eerst recht overgoten met geluk en kwam er vrede in mijn ziel. Het „houdt jullie de kleintjes rustig, ik kom straks nog eens kijken,” klonk uit den mond van moeder Z. niet minder zorgzaam, niet minder teeder dan van de liefste Moeder.
Voor dat ik vertrok vroeg Moeder me — het was haar niet ontgaan, maar tactvol als ze was, had ze toen niet ingegrepen — waarom ik even verdrietig was geweest, of me iets minder prettigs was overkomen en uit het diepste van mijn hart kwam een zucht van verlichting, terwijl ik antwoordde: „ik was zoo blij, dat de weesjes ook een lief „Moedertje” hadden.”
Moeder Z. vertelde het den volgenden dag aan Moeder en toen biechtte ik haar mijn lijdensgeschiedenis van de laatste dagen. Om het volgend verkregen succes heb ik ze u, Moeders, zooveel later nog eens gebiecht.
Moeder zei me eenvoudig en duidelijk, dat ik nooit meer heel blij of heel verdrietig moest zijn