fHOODRA ik in staat was het gelczene [meer volkomen te begrijpen en met gc-iheel mijn hart in me op te nemen, was leen boek voor mij, een raadgever, een afleiding, een troost, soms . . alles. Dat begon omstreeks mijn twaalfde jaar. Ik hield vóór dien tijd niet bijzonder van lezen. Wel van voorgelezen te worden door Moeder of de onderwijzeres op school, die mij alles trachtte te verklaren wat voor mij niet duidelijk was. Ik kon me niet, zooals de meeste kinderen, met een algemeenen indruk van het verhaal tevreden stellen. Schijnbaar was ik toen nog niet heel gehoorzaam, juister geoordeeld, ik had als de meeste kinderen op dien leeftijd niet de noodige zclfbeheersching, waar het ging om vurige verlangens. Thuis werd Moeder voorloopig de rem om me wécrstand te doen bieden aan de machtige verleiding van een grootc verscheidenheid belangrijke, toen voor mij ongeschikte lectuur, het bezit van Vader en de ouderen in het gezin. Maar: ,,Un grand désir ne trouve pas d’obstacle.”
Grootmoeder had juist, nu Grootvader te oud was geworden om nog veel te studeeren, een open plankenkast laten maken op den zolder tot berging van de onooglijkc, bijna nooit meer te gebruiken boeken. Daar ging ik tersluiks bevrediging zoeken. Deze kast werd mijn heiligdom, waar ik allerminst geheiligd zou geworden zijn, indien ik niet door aanleg en een goed zedelijke opvoeding een afkeer voor het perverse gevoeld had. Ik ben den dans toch niet