ik duik, ik dwaal, ik klim, de wolkenzee
is om, als blanke waters die de visch omwelden.
Ik weet bij nacht de verre, verre verten, de eindelooze verten aan den hemelrand, de nachtsche zonnen reiend in glans van diamant, de maan om torenkoppen als opgewaakte herten.
Ik draag ’n lied dat werelden verbindt: de storm giert dikwijls om mijn moede slapen, en voor mijn oogen vaak afgronden gapen, en sneeuwjacht hagelt vaak mijn moede oogen blind.
Mijn longen vragen dan naar warmte en honig, soms weet ik niet waar of ik rusten zal, soms stort ik neer, als meteorenval,
soms scheer ik als ’n zwaluw en zie geen nest tot woning.
Toch draag ik ’t zaad van Broederschap en Eenheid als mijne glans, op mijne vlerken mee: ik strengel talen saam, ik ruisch van ree naar ree, ik win ’t van afgrond, moord, ik win ’t van storm en Tijd.
92