DE VLIEGENIER.
Ik ben de vlieger van het wijde rijk de bergen en valleien en de zeeën meet ik, de dalen en de heuvels en de starren weet ik de oceanen, steppen, en de kleine wijk.
Ik weet ’n arendsnest
en ’t land van veel millioenen,
ik weet het dorp in duizendlij festoenen,
het brommend zwarte vlak, dat de millioenen vest.
Gelijk de leeuwrik stijg ik uit de douwen — hoe zingt mijn stemme op ’t ronken van mijn bloed — en drijf zooals ’n vlinder, verguld door zonnegloed, en schitter diamant in ’t hemelblauwe.
De zonnen weet ik op mijn hemelbanen
omhoog, omlaag, naast mij en overal,
zij schitteren mij toe in heel hun veel-getal
mijn oogen zijn als zij, licht van hun komst en tanen.
En wolken, wolken, al de blanke velden gaan als mijn adem met mijn oogen mee,
91