GIJ MAAIER.
Gij maaier van het koren gij kromgewerkte maat die, als de morgenklokken door zon nauw overtrokken gaan klokken met de hanen, reeds zoekt uw vroege banen en met uw builtje gaat tot zonne ’t glanzen laat.
De geur van werk en aarde de geur van hof en grond walmt om u als ’n asem, zij drinkt uit aardemond haar dauwen en haar wasem werk, werk, en ’t zure zweet men altijd met u weet.
Het merkend zonnebranden liet u geen plekske wit van brons zijt ge als gegoten; en brandt gij vuur-verhit, gij wordt niet neergestoten
88