Smaad, minachting heb 'k geleden waar ’k wankelend door hun reien ging, wen zij uit mijn loop-baan schreden ook ik, hun schampre blik opving.
’k Heb in al de lichte straten gezien wat ook mijn huis behoeft, achter lichte vensters moeten laten wat ik, mondwat’rend, heb geproefd. Bukkend veel malen thuis gekomen waar de zwarte kommer was, wijl ik ’t vragend ’t hopend droomen in mijn liefstes oogen las.
Toch is in mijn binnenst weten ’t groot geluk bewaard gebleven: eens raakt al dit wee vergeten, zóó, zoo komt het nieuwe leven!
’k Heb mijn kind dan zacht genomen en het zacht en stil verteld van 't nieuw geluk dat nu gaat komen trots al kommer en geweld!