Ik heb als gij, diep in mijn ooren ’t schreien van mijn hong’rig kind,
’k heb als gij uit huis verloren alles door mijn hart bemind.
’k Heb als gij mijn lijfkleinoden voor een bete brood verkocht,
’k Heb als gij mij veil geboden op eind’loos ongetelde tocht.
’k Heb als gij met sterke armen, mijn hand voor aalmoes opgeheven mij met blik van arm erbarmen in mijn open hand gegeven. —
’k Heb als gij mijn hoofd gebogen wijl het hart van schaamte scheurde, de traan gewischt snel uit mijn oogen eer ik het hoofd weer opwaarts beurde.
’k Heb als gij des meesters zalen van licht en weelde rijk, gezien,
’k ben als gij bij 't omme dwalen de geuren van hun huis gaan vlien.