niet de dichterlijke ruiker was en wij niet een op een wolk zwevende figuur ontwaarden achter haar edel gelaat, dat een smartelijken trek vertoont* Het jaartal, er nadrukkelijk op aan-gebracht, is misschien niet zonder betekenis voor dien smartelijken trek: 1935; doch laten wij neutraal blijven*
Religieuze beperkingen waren in de diaspora niet gunstig voor een eigen Joodse uitdrukkingswijze: wat, voor de emancipatie zich voltrok, aan beeldende kunst onzerzijds is gewrocht, is vrijwel altoos navolging, hoe verdienstelijk dan ook vaak, der anderen geweest. Pas het impressionisme stelde de Joden in de gelegenheid zich te geven; misschien correspondeerde hier het Joods-relativistische met het gezichtspunt der impressionisten: de atmosferische werking van regen, zon en nevel werd gewichtiger dan het fotografische beeld zelf; Joodse schilders ontwaarden de schoonheid in het lelijk-ge-hetene; hun werk was, vooral waar het zich op Joodse onderwerpen betrok, niet vrij van sentimentaliteit; trouwens, zelden slechts kozen zij zulke onderwerpen, daar zij, met hun rotsvastgeloof in den uiteindelijken vooruitgang der „beschaving”, de Joodse uitzonderingspositie hier en daar als iets beschouwden dat verdwijnen ging (indien zij al over zulke dingen nadachten)* Sindsdien is veel veranderd* Een tijd geleden exposeerde hier een jong schilder uit Palestina enkele zeer frappante, krachtige werken van een bijna woeste, primitieve kleur; zij vonden bij het publiek noch bij de critiek, die niet ingelicht was hoe zij bij Aroch kijken moest, die aandacht, die zij in hun zuiveren eenvoud verdienden* Den knappen schilder over Joodse kunst vragend, kreeg ik het paradoxaal klinkend antwoord: „De Palestijnse kunst wordt in Parijs gemaakt*” En inderdaad, wat in Parijs door Joden uit