Grafschrift voor een ziener 129
Toen Izak het schooltje had verlaten kreeg hij een baantje als loopjongen . Eerst bij een kruidenier, daarna bij een apotheek, vervolgens bij een banketbakker, toen bij een andere kruidenier en - niets veranderlijker dan een mens -, op deze wijze versleet hij tien bazen in nog geen drie jaren tijds. Op Vranja drukte de nederigheid van deze betrekkinkjes zwaarder dan op haar zoon. Zij was eentje van penning-zestien. En dan was er haar illusie, dat Izak eens heel veel geld naar huis zou brengen.
Zijn gevoelens voor Vranja verschilden veel van die, welke hij voor zijn vader koesterde. Vranja legde een zware psychologische druk op hem. Als hij tegen haar sprak had hij altijd moeite om niet te stotteren. Misschien verbond een gevoel van medelijden Izak nog sterker met Avrom dan de traditionele genegenheid van een kind voor zijn vader.
Elke sjlemiel heeft zijn karakteristieke soort pech. Het persoonlijke van Avroms tegenslag was, dat hij steeds minder in staat bleek de kost voor zijn klein gezin te verdienen. Niet de armoede echter drukte hem het zwaarst, wél het moeten leven in een land, dat hem nooit vertrouwd was geworden en het moeten verkeren met mensen, die hij niet begreep. Hij voelde heimwee naar de Banaat, omdat die provincie in afstand en tijd nu zo ver verwijderd was, dat hij zich alleen de mooie dingen kon herinneren. De geborgenheid van het kleine staedtele, de knusse sfeer van de begrensde joodse gemeente, de steun, die de mensen in de Banaat elkander gaven simpel en alleen omdat ze samenleefden. De gespletenheid van zijn bestaan in het kille Nederlandse milieu had Avroms wil uitgehold. Hij teerde op een restantje energie. De lust om op de tijdstippen, die daartoe voor alle eeuwigheid zijn vastgesteld, naar de synagoge te gaan, werd slapper. Alleen op de Grote Verzoendag trokken de banden met het verleden hem sterk. Dan vastte hij met de wilde wil van de mensen uit Oost-Europa.
Evenmin had hij voldoende wilskracht over om aan het leven van zijn zoon enige richting en stuur te geven. De binding van Izak met het ouderlijk huis verschraalde. Overdag was hij loopjongen en straatslijper, 's Avonds liep de jongen de bijeenkomsten af van de vele wonderlijke clubjes, die Amsterdam bergde: leken-theologen, professionele waarheidzoekers, spiritisten, verbreiders van wijsgerige stelsels met de pretentie van eeuwigheidswaarde. Hij ontvluchtte het milieu tussen Waag en Weesperplein. De lessen van het joodse schooltje lagen achter hem. Hij kende voldoende Hebreeuws om het met enige vlotheid te kunnen lezen. Het Oude Testament kende hij goed, in het Nieuwe liefhebberde