Tsip-Tsop 117
Zoveel jolijt en muzikaliteit imponeren de man uit Polen. 'Oi, waarom zal een mens naar Amerika gaan? Hier ligt het goud op straat. Mensen, die zó feest kunnen vieren, zijn rijp voor een mooi bioscooptheater.'
De kleine Cohn schenkt de Amsterdammers het paleis van een oriëntaalse fantast. De klanten van Bram Tuschinski drijven op golven van weelde en wellust het theater binnen. Terwijl ze wachten totdat de afdruk van de lichaamswarmte van hun voorgangers, in de eerste rij stalles een beetje is afgekoeld, kunnen ze dromen, dat ze bewoners zijn van een oosterse harem; als ze wakker worden, zit hun eigen vrouw naast hen nog na te dromen van sjeik Ramon Novarro.
Hun vuile voeten vegen ze op een miljonairstapijt, dat beneden in de hal begint en zonder naad of onderbreking langs alle trappen omhoog klimt tot in de nok van het gebouw. De zoldering van de hal heeft iets van een nachtmerrieachtige toverbal, de kleuren veranderen en verschieten, blauw en groen en rood, en daarna alles door elkander. In de loopgraaf van het theater staat Max Tak, beurtelings met viool en kapittelstokje.
Zeggen de mensen:
'Als hij had gewild, had hij Mengelberg kunnen opvolgen. Nou speelt hij voor ons.'
Wanneer in de krant staat, dat Max een ontsteking heeft aan de zenuw van zijn rechterarm, kan de stad niet slapen van de zorg. Maar zoveel miljoenen kan Abraham Tuschinski niet aan zijn theater besteden, hij verliest de concurrentie tegen Rooie Jopie, ome Jozef Kroonenberg, die op de Jodenbreestraat ook een bioscoop exploiteert. Het Tip Top Theater. De mensen zijn op de Tip Top zo redeloos verliefd, dat ze de naam steevast uitspreken als Tsip-Tsop. Zo roepen ze een dierbaar kind; niet met de officiële naam, maar wel met het woord, dat het brabbelend verkeerd uitsprak. Tsip Tsop, gezegend zal het zijn, omijn-we-omijn.
Kwaadwillige lieden in de stad spreken smalend van de 'kersause mangelenbioscoop', maar die naam is een valse vlag boven een modderschuit vol vuige laster. In alle bioscopen, in de hele stad, worden dagelijks scheepsladingen kersausjes verslonden: als de werksters na de voorstelling mastiek komen maken, scheppen ze de lege doppen bij tonnen van de vloer. Dat is heel gewoon. Dit is immers Amsterdam achter in de twintiger jaren, als pinda's kersausjes heten en niemand nog weet wat een zakje friet met shampoo is. En, eerlijk is eerlijk, bij de ingang van Tsip Tsop hangt een bord: