Een andere feeks zei:
'Waar Izak rebbe wordt, laat de gemeente zich dopen.' Zo machteloos voelde Vranja zich, dat ze Avrom met zware eden bezwoer nu eindelijk eens ernstig met zijn zoon te spreken, streng, zoals het een vader betaamt. Avrom schoof het brilletje op zijn gerimpelde voorhoofd omhoog. 'Izak-leeb, ik zal jou vertellen... een geschiedenis. Waarom zal ik jou vertellen die geschiedenis? Omdat je er uit kunt leren. Er was eens een geleerde man. Hij was heel oud, negentig jaar was die geleerde man. Hij voorspelde, dat de oogst van de appelen de mooiste zou worden... de mooiste zolang de wereld bestaat. Maar niemand mocht van die appelen eten... dat zei die geleerde man... want alle appelen zouden vergiftigd zijn. En wie er van at werd krankzinnig. De geleerde man had gelijk... zijn voorspelling kwam uit... de appelen waren de mooiste zolang de wereld bestaat. Maar niemand durfde eten van die appelen. Toen zei iemand: wat kan mij het schelen... ik heb trek... ik eet die appel. Hij at en werd krankzinnig. Toen gingen andere mensen ook eten... en iedereen werd krankzinnig, behalve de oude geleerde man van negentig jaar. Ten slotte was hij de enige, die niet had gegeten van die appelen. Daarom was hij in die wereld van krankzinnigen een uitzondering, begrijp je en dat mag niet. Daarom zei iedereen: 'Wij zijn normaal... alleen die geleerde man van negentig jaar... die is gek.' Wat moest die geleerde doen? Hij wilde niet opgesloten worden. Toen heeft ook hij van die appelen gegeten... en toen was er geen enkele uitzondering meer, alle mensen waren gek en dus was er niemand meer gek.'
151