50 JOOST SYBRANDSZ. BUYCK 72
smaad en hoon naar boord. Joelend en scheldend zag men toe, hoe ook dit schip langzaam naar buiten werd geboomd, door de palen het Y op.
De schippers, die hun aanwijzingen hadden, zetten de schepen ver van de stad bij den Diemerdijk aan den grond. Joost Buyck, die als laatste van boord ging, herkende de plaats. Hier ongeveer was het, dat hij als jongen in het bange avonduur door storm en wind werd aangespoeld; nu had hem, ouden man, de tijstroom van het leven naar juist dezelfde plek weggevoerd. Maar waar hem eens de jonge lieftallige vrouw in zijn ellende was nagekomen en in zijn hart een ongekend gevoel had wakker gemaakt, stond hij thans alleen, een grijs en verlaten man. Uit zijn starre oog, waarmee hij eenmaal nog den dijk afzag naar de verre stad, die in den voorjaarsmiddag blonk, gleed een traan hem in den grauwen baard.
Tien jaar overleefde Joost Buyck zijn uitwijzing uit Amsterdam. Hij vestigde zich te Leiden, waar hij woonde op den Steen-schuur, bij het Haagsche Schouw. Velen zijner familieleden waren te Amsterdam gebleven. Daar zou zijn neef, Hendrik Buyck, in 1595 een belangrijk aandeel nemen in de oprichting der Compagnie van Verre, waaruit later de Oost Indische Compagnie ontstond. De nog altijd Katholieke familie genoot een hoog aanzien.
In het jaar 1588 overleed Joost Buyck in den hogen ouderdom van 82 jaar. Zijn stoffelijk overschot werd naar Amsterdam gevoerd en in stilte ter aarde besteld naast dat van zijn vrouw in het graf in de Nieuwe Kerk, den grond, die hem dierbaar en heilig was.
Tijdens zijn ballingschap is van Joost Buyck een schilderij vervaardigd, dat den grijsaard weergeeft met al de vastberadenheid van zijn wezen. Het is voorzien van een bijschrift met acht Latijnse verzen, welke Vondel heeft vertaald: