Br. WILLEM BE VLUGT 3°3
״zeker 50 ha. bouwrijp terrein. Ben ik daarin onjuist, dan ben ״ik verkeerd ingelicht, maar ik heb hier de stukken bij mij, ״waaruit blijkt, dat er op het ogenblik circa 52 ha. bouwrijp ״terrein zijn. Als men zegt: ga door met ophogen, dan doen we ״dit. Zoals aan U, mijnheer den voorzitter, en den heer Wibaut ״bekend is, en voor zover ik dat meer van nabij heb kunnen ״waarnemen, heeft de dienst van Publieke Werken in dit op-״zicht geen ogenblik verzuimd te doen wat hij kon doen, maar ״het maakt dan altijd een enigszins zonderlingen indruk op ons, ״dat de bouw van woningen — daar ging het in hoofdzaak om — ״zo slecht opschiet. Ik geef de verzekering, dat de dienst van ״Publieke Werken niet in gebreke zal blijven te doen, wat hij ״kan doen om te zorgen, dat er terrein is. Laat men aan den ״anderen kant dan ook zorgen, dat er gebouwd wordt en zich ״daartoe bepalen."
Er werd terrein opgehoogd, er moest terrein bouwrijp gemaakt worden, a tors et a travers. Voor prijzen, waarvoor men later beefde. Het zou de moeite lonen een accountant eens een becijfering te laten maken van de grote verliezen, welke op de debetzijde van deze projecten geboekt moeten worden. In die jaren boterde het tussen de heren Wibaut en De Vlugt geenszins. Merkwaardig is zeker, dat Wethouder De Vlugt, tijdens afwezigheid van zijn ambtgenoot Wibaut, nimmer diens portefeuille mocht waarnemen, dat nam Burgemeester Teilegen voor zijn rekening. De strijd tussen Volkshuisvesting en Publieke Werken was een dure strijd in den dubbelen zin van het woord. Wethouder De Vlugt werd er een verwijt van gemaakt, dat hij te weinig sociaal voelde om de belangen van de volkshuisvesting te behartigen. Toch was hij het geweest, die het in 1917 als Raadslid reeds voor den volkswoningbouw opgenomen had. Tussen den Burgemeester De Vlugt en den Wethouder Wibaut heeft nadien evenwel de beste harmonie bestaan. Er was geen Wethouder, die altijd over alle belangrijke vraagstukken zozeer