169 PIETER CORNELIS HASSELAER
Amsterdam bleek Hasselaer nog niet vergeten. Onmiddellijk herkreeg hij in zijn stad aanzien en waardering, welke hij ook vroeger had genoten. Vooral het gebaar, waarmee hij weigerde den zetel in de Vroedschap, die zijn zwager Mr. Piet er Hart-sinck al die jaren voor hem had bezet, volgens afspraak in te nemen, omdat hij ,,het niet over zich konde verkrijgen, om een zwager, met wien hij in de beste harmonie leefde, te vergen voor hem op te staan", maakte een gunstigen indruk. Het verbaasde dan ook niemand, dat Hasselaer, nauwelijks gerepatrieerd, op i Februari 1773 tot het burgemeesterschap van Amsterdam werd geroepen. Volgens gebruik dier tijden begroette een uitbundig gedicht den nieuwen magistraat:
Weldenkend Burger! Staa hier stil! Beschouw uit dit op nieuws verkiezen Eens Hasselaers, Bestierders wil. Pas onlangs uyt der Oosterkimmen Verrees de gloed dier Burgerzon Of gy zaagt onverwagts hem klimmen En hooger staan, zo hel Hy kon Juist boven Amstel's Capitoolen
Juicht! Juicht dus vrij, Gij Amstelschaaren, Dat uit den tronk van Hasselaer, Ter juister tijd, zich deed opklaaren Een Lot, geënt, omheint te gaêr Door Burgerliefde en groot vermogen Op ieder een, die pligtig denkt. Zijt Welkom, Braave Burgerheer, Vervul den Wensch van Klein en Grooten Het Kussen wagtt' U, zet U neer! Aanvaard dan braave Hasselaer Tot Vreugd van Amstel's Burgerschaar Het roer van Uw' Regeering.