gloednieuwe, maar toch nog moderne uitleg van de oude stad. De woningen telden één kamertje meer, de wanden waren versierd met een latje, dat zich lambrizering liet noemen. Er konden pulletjes op staan. De mensen uit de oude buurt, die een tikje in de verdiensten waren gekomen en schoon genoeg hadden van de muurloze begrenzing van een aan tradities gebonden buurt, trokken stoutmoedig over de brede wateren van de Mauritskade. De buurt opzij van het Weesperpoortstation stak vol met nieuwe frisse namen. Beukenweg, Iepenweg, Eikenweg.
Zeiden de diamantslijpers:
'Beukenweg, Iepenweg, Eikenweg... straks is een steentje weg.' Onverzwelgbare weelde, het Oosterpark was vlak naast de deur. Op de vrije ochtend van de Sabbath liepen de mannen eindeloze rondjes om het grote grasveld, ernstig pratend over de wisselvalligheden van het vak en de kansen van de sdap in district in, tegen Otto, die de liberalen wilde vertegenwoordigen. Op zondagmorgen speelde in de muziektent een kapel van blaaspoepen meeslepende walsen uit Wenen.
Vergeefs zoek ik nu naar punten van oriëntering. Ergens verderop liep vroeger het Padje. Een klein weggetje langs de pallisaden van het rangeerterrein. Het was er altijd stil, zelfs midden op de dag. De geur van een diepliggend grasland (nu staat de Amstelbrouwerij er hoge dividenden te fokken) mengde zich met de natte stoom der treinen. De hosseklossende goederenspoortjes schenen het parkeerterrein nooit te verlaten. Vermoeide locomotiefjes lieten zich door mannetjes met blauwe boezeroentjes en glimmende koperen kromme speelgoedtoetertjes heen en weer treiteren. Als zo'n lange lijs van een trein helemaal uit elkaar was geblazen, bleef er één wagon achter. Die kreeg van de locomotief een stevige duw tegen zijn achterwerk en reed
192