met de Judaica.
'Als je in Wilna mocht komen, vraag dan in de Stra-schun-bibliotheek of ze er een exemplaar van hebben.'
Niet alleen omdat meneer Maandag het mij had gevraagd, bezocht ik in Wilna de Straschun-bibliotheek. In een straatje achteraf, geleund tegen de muur van de eeuwenoude Synagoge, vond ik de twee kleine vertrekjes, waar in een rommelige wrakke kast de handschriften werden bewaard van de Goan, de grote geleerde — handschriften waarvoor beroemde verzamelaars miljoenen hadden geboden. Maar Wilna was de stad van het Boek, en de Joden zijn het volk van het Boek. Ze verkochten die beroemde werken niet.
Dr. Rubinstein, de bibliothecaris, toonde ik het papiertje, dat meneer Maandag mij had meegegeven.
'Ik wilde U vragen... heeft U dit boek in de kast?'
'Nee, dat bezitten we niet... helaas niet. U komt toch uit Holland, nietwaar... in Amsterdam bevindt zich een exemplaar.'
En hij noemde me de naam van iemand in Holland: ene Mozejekofski of Moskosofski of Mousjekofski of iets. Kortom, meneer Maandag. Die schoenmaker van ons bleek toch een ijdeler mens dan ik tot dusver had vermoed.
Van Polen trok ik door Podz Karpatho Rusz, Karpatenrusland, dat nu eens Russisch, dan weer Tsjechisch en, ik geloof, nu weer Russisch is. En ik reisde door Roemenië, door de Boekowina weer terug naar het Noorden en langs een omweg naar Munkascevo in Podz Karpatho Rusz.
Ik leerde een wereld kennen, waarvan ik het bestaan flauwtjes had vermoed. Het was geen prettige wereld. Armoede, uitbuiting, wanbegrip, gruwelijk bijgeloof, ontaarding, achterlijkheid en vooroordeel waren de bolwerken, waartegen de Zionisten storm liepen. Palestina was meer
141