begon met mij over de godsdienst. Toen vroeg ze mij of ik niet es een Zondagmorgen met haar mee wou gaan naar de kerk. Ik heb dat gedaan. Waarom niet? Als je iemand daar een pleizier mee doet, is ’t niet zo ? Je kunt overal wat leren en kwaad kan het niet. De kerken hebben heel veel goeds gedaan in de oorlog. De dominee preekte werkelijk heel mooi, dat moet ik zeggen, maar aan het slot had hij het over de joden. Het uitverkoren volk, God zal mij bewaren voor de zonde, maar was ik maar een beetje minder uitverkoren! En daar zei hij zo het een en ander over. Over de dwaalwegen en zo. Toen we de kerk uitgingen, kwam het. Ze vroeg mij wat ik ervan dacht en of ik er niet voor voelde om nu over te gaan. En toen heb ik het gezegd. Ik weet niet wat het met mij was, meneer, maar ik heb er nóg plezier van. Ik zei: Mevrouw, als ik ooit wat word, word ik een goeie jodin!
Matje lachte schaterend en bijna hadden Johan en Huib achter het kijkgat te luid meegelachen.
—• Kij komt terug over vier daag.
De séance was geëindigd. De zitting ook. Johan en Huib kwamen binnen.
— No? vroeg Matje.
—• Zal ik gebensjt zijn, antwoordde Johan, maar een brooche op je kop!
— Schrijf jij iets voor haar? vroeg Matje en Johan knikte. Ik zal wel iets opzoeken, dat geschikt is.
— De Heer zal mij bewaren, maar wat hebben we van zijn wereld gemaakt, schold Huib. In de oorlog schreeuwde alles om eenheid!
— Dat geschreeuw is er nu nog precies zo, meende Johan. Alleen verstaat iedere partij iets anders onder hetzelfde woord. De communisten, de socialisten en de reactie willen allemaal eenheid.
—■ ’t Is meer een luizerige drie-eenheid, dacht Matje. Ieder wil je in zijn winkeltje hebben, en ze zijn allemaal gek op de klandisie. Ik ga. Ik heb een belangrijke bespreking.