In mijn weerloosheid heb ik geschreeuwd. In mijn weerloosheid heb ik geslagen. In mijn weerloosheid heb ik gezocht naar het pistool dat de man die mij sloeg en sloeg en sloeg (‘Ik ben jouw privé-SS’er’), in huis verborgen had. Ik vond het niet, ik schoot hem niet dood. Maar het scheelde niets. En ik weet sinds die tijd dat er mensen zijn die genoegen scheppen in het kwaad (hij) en dat er op de vraag hoe met hen om te gaan geen antwoord bestaat. cDood hen is het advies van de Tora; dezelfde Tora die door de oude, zwakke en de jonge, sterke mannen gekoesterd en getutteld wordt. ‘Dood hen - ze kunnen het niet. Ze willen moeders zijn en zachtmoedig. Wie geeft hun ongelijk. ‘Dood hen -ze willen het niet. Ze willen vaders zijn, geen moordenaars. ‘Dood hen,’ adviseert de God die weet dat wij zwakke knieën hebben en het pistool liever niet vinden.
Dat is wat de oorlog me heeft gebracht: dat de vertedering waarmee ik de mannen wil gadeslaan in hun zachtmoedigheid vermengd wordt met jaloerse wanhoop: ik wil beschermd worden zoals het Kind, en weet dat dat niet kan. Dat is wat de oorlog me heeft gebracht: dat ik moet zeggen ‘Hoe staat het met het “Dood hen” in de tekst die versierd is met kronen en belletjes?’ Ik wil dat zij de Eeuwig hongerende Beul doden, ik wil dat ze mij leren de Grote Moordenaar te doden. Maar ik weet dat ze het niet kunnen, en ik weet dat ik het niet kan.
Houd haar goed vast, pas op, laat haar niet vallen, zit haar manteltje goed, nee niet zo, ja, zo, kijk, kijk, ach wie zal haar niet liefhebben, ach, wie zal niet van haar houden. Ach, wie zal haar beschermen?