ren) omdat de vrouwen het geld verdienden (naast het draaiende houden van het huishouden) - die mannen hebben verschrikkelijk gefaald in deze eeuw. Geheel buiten hun schuld. De mannen - vrouwelijker, want zachtmoediger mannen dan andere, niet-joodse, mannen - wisten de vrouwen in hun leven niet te beschermen toen het erop aankwam. Ze konden niet voorkomen dat de vrouwen werden gestigmatiseerd door de gele ster. Ze konden niet voorkomen dat de vrouwen werden opgepakt en gedeporteerd. Ze konden niet voorkomen dat de vrouwen gekeurd en geschikt bevonden werden: voor medische experimenten of voor de gaskamers.
Anderhalf miljoen joodse kinderen zijn vermoord door de Grote Moordenaar. Toen het erop aankwam konden de kinderen niet worden beschermd door deze moeders van het mannelijk geslacht, de zorgzamen, de redderaars die de in wikkels (uit luiers gemaakt!) gerolde Tora niet zullen laten vallen, maar machteloos stonden toen de Grote Moordenaar het echte kind tegen de muur sloeg, of met zijn laars het hoofd ervan verbrijzelde, of met het openen van een gifkraan het verstikte. Wat het rondtuttelen met de Tora voor effect heeft gehad op het collectieve (onder)bewust-zijn van de joodse mannen, weet ik. Ik kan het zien vanachter de mechitsa, ik ‘weet’ het, want de scheiding tussen mij en hen roept een diep verlangen in mij op naar intimiteit, niet seksuele intimiteit, maar de intimiteit van de liefde tussen man en vrouw. Maar wat heeft het machteloos staan tegenover de moord op de kinderen en de moord op de vrouwen voor effect gehad op het collectieve (onder)bewustzijn van de joodse mannen? Dat weet ik niet. Er wordt nooit over gepraat. Er wordt nooit naar gevraagd. Wordt er ooit over gedacht?