Huub Oosterhuis zocht voor En alle dagen stonden in uw boek bij een scala bijbelverzen Nederlandse gedichten uit deze eeuw die hij erbij vond passen. Judith Herzbergs ‘Vis’ koos hij bij het eenentwintigste vers uit het eerste hoofdstuk van Genesis: ‘... en alle krioelende wezens, soort na soort’, staat daar. Als vis zou Judith Herzberg het wel weten, als mens leidt ze een moeizaam bestaan. Als welk dier zou u zich als een vis in het water voelen? Het is een kindervraag, maar niet van ernst ontbloot. Het helpt te weten welke bewegingen we het gemakkelijkst maken, in welk medium, in welke omgeving, in welk klimaat, in welke sociale orde. Het beantwoorden van deze vraag is een spel dat wel degelijk naar een essentie kan voeren. Ik ben een molletje: ijverig en blind ploeterend, en feitelijk niet wetend waar ik mij in hemelsnaam bevind; maar ik ben ook een jonge luipaard: ongedurig, alert, onafhankelijk, snel, verborgen en niet te vangen. En mijn lievelingsdier is de gestreepte hyena: nuttig, niet gekend, en een droevige loner. Toen ik mijn geliefde vroeg welk dier hij was, zei hij: ‘Die vraag wist ik als kind al niet te beantwoorden.’ Maar hij had er, als datzelfde kind, een sprakeloos makende oplossing voor gevonden. Toen hij een opstel moest maken welk dier hij wilde zijn als hij een dag een dier mocht zijn, koos hij voor de eendagsvlieg. Waarom? wilde ik weten. ‘Dan had ik toch een heel leven, ik wilde niets te kort komen.’ Als hij erg kwaad op mij is, omdat hij vindt dat ik te veel eis, zegt hij: cJij wilt alles.’ Ja, ik wil alles, net als hij. We komen allebei te kort, of liever, we zijn allebei te kort gekomen - wie niet - maar we hebben er ontzettend de schurft over in en nemen er geen genoegen mee. Bestaan eendagsvliegen wel, is het niet alleen maar een begrip? vroeg ik hem. Hij had er nog nooit over nagedacht.
Een moeizaam bestaan. Wie heeft dat niet? En, een andere vraag, zou het leven minder moeizaam zijn als we meer