Als joden de voorschriften uit de Tora volgen brengt dat hen een zegen; als joden de voorschriften uit de Tora, zoals ze verplicht zijn te doen, niet volgen, roepen zij een vloek over zichzelf af. Het enige verschil tussen joden en christenen is dat niet-joden die Christus willen volgen de voorschriften van de Tora moeten doen, maar niet hoeven te vrezen dat ze vervloekt zullen worden, zoals de joden, als ze de voorschriften niet naleven. Ze moeten ze dus naleven, maar leven ze ze niet na, dan is er geen man overboord. Dan hebben ze alleen wat minder zegeningen naar zich toe gehaald.
Dat is de interpretatie die ik in 1991 gaf aan een uitspraak van de Duitse theoloog prof. dr. Bertold Klappert in Amsterdam tijdens een symposium van het Overlegorgaan Joden en Christenen: cDat Christus ons van de vloek van de Tora heeft bevrijd, betekent nog niet dat Christus ons van de Tora zelfheeft bevrijd.’ Maar bij herlezing van Klapperts lezing blijkt die interpretatie niet juist. Hij zei wel iets wat er zeer dicht bij in de buurt komt, maar toch ook wel erg anders is. Wat zei hij dan wel? De wetsvoorschriften in de Tora hebben niet afgedaan voor christenen, integendeel, ze zijn belangrijk als basis voor het ontwikkelen van een rechtvaardige, solidaire en liefdevolle samenleving. Christenen moeten een eigen halacha ontwikkelen, gebaseerd op de voorschriften in de Tora, en de manier om dat te doen zouden ze van de rabbijnen kunnen leren.
Een heel helder standpunt, maar de helderheid ontging mij in 1991, omdat ik geheel gefascineerd was door het plotselinge inzicht teweeggebracht door die korte zin van hem, die ik eerder citeerde: ‘Dat Christus ons van de vloek van de Tora heeft bevrijd, betekent nog niet dat Christus ons van de Tora zelfheeft bevrijd.’Voor mij betekende die zin toen -en eigenlijk ook nu nog -: christenen moeten geen joden worden, ze moeten niet tot het jodendom overgaan, maar