Ik ben Rotterdammer. Vele jaren was ik handelsreiziger. De laatste jaren woonde en werkte ik op de joodse begraafplaats van Rotterdam. Ik was handelsreiziger bij Wisbrun en Lif-mann, een firma in damesmodeartikelen met filialen over heel Nederland en Duitsland. Een joodse firma, van Duitse joden. Ze woonden al jaren hier, want ze hadden al een hele grote zaak, een soort Bijenkorf, op de Hoogstraat, toen ik nog een kind was. Een zaak die iedere Rotterdammer kende. Toevallig was ik daar als achttien-jarige als magazijnbediende in betrekking gekomen. Zo nu en dan moest ik als noodhulp in de winkel helpen, of als een van de reizigers ziek was als zijn vervanger optreden. De reizigers van Wisbrun en Lifmann reisden het hele land door met alle mogelijke stoffen en naaisters- en kleermakersartikelen. Ze kwamen voornamelijk in ateliers terecht. Zo kwam ik in Zeeland, Brabant en Groningen. Dat ging heel goed.
Toen een van de reizigers kwam te overlijden werd ik, eenentwintig jaar oud, reiziger. Hoofdzakelijk voor Zeeland en Brabant. Ik heb dat ongeveer tien jaar voor Wisbrun en Lifmann gedaan, tot 1928. Toen kwam de crisis. In ’27, ’28 werd het steeds minder en minder en minder. Het werd zo erg dat ik haast niets meer voor ze kon verkopen. Maar ze wilden me toch houden.
Ondertussen was ik op mijn vierentwintigste getrouwd. Twee jaar zijn we verloofd geweest. Dat was in die tijd zo’n beetje de gewoonte, want je moest natuurlijk wat sparen om aan meubeltjes en dergelijke te komen. Mijn vader en moeder hadden niet zoveel geld en konden dus niet bijspringen. Mijn vader was antiquair. Dat klinkt mooi, maar hij was een arme antiquair. Hij was wel een goed kenner, maar wanneer hij iets goeds kon kopen zat hij altijd aan een rijke antiquair vast, omdat hij zelf niet genoeg geld had om die dingen te kopen. Maar hij was een heel goed kenner, een heel goed antiquair.