gingen er met de trein naar toe. Toen was er ook al risjes. Niet bij die uitspanning, maar wel bij de man die de kaartjes knipte. Mijnheer Van Rijs, de voorzitter van Mikwe Israël, ging mee. Zijn mondje had hij bij de hand. Hij kon goed praten. Toen we bij de man kwamen die de kaartjes knipte zei die man: ,,Niet zo’n jodendrukte. ” Waarop Van Rijs:,,U heeft niets te doen dan de kaartjes te knippen.” Het was geweldig hoe dat er uit kwam. Die man was doodstil. Maar persoonlijk heb ik nooit risjes ondervonden. Toen ik kleiner was zat ik niet in een vereniging. Dat bestond niet. Ik was natuurlijk wel vanaf mijn zesde jaar op een joodse school. Gelukkig waren mijn vader en moeder allebei orthodox. Ik ben het Goddank ook gebleven.
Eens in het jaar kwam de raw examen afnemen. Ik heb de heer Van Loen nog meegemaakt. Van Loen was toen opperrabbijn. Als de raw examen kwam afnemen zat je te beven. De school was op de Voldersgracht en ’s avonds werd klas voor klas ondervraagd. Dan moest je met twee of drie jongens bij de opperrabbijn komen. Die zat boven in een aparte kamer. Dat was alsof je naar het schavot ging. Dat was verschrikkelijk.
Soms ging je alleen, soms met een stel jongens. En dan stelde de raw vragen. De leraren gingen met je mee. Het examen werd natuurlijk ook afgenomen om te kijken of de onderwijzers wel goed functioneerden. Dat was de oude tijd. Toch wel een mooie tijd. Er is naderhand in het joodse leven heel wat veranderd.
Voor de oorlog zat ik bij mijn vader in de zaak: een kartonna-gefabriek. Met drie broers. Je had veel zorgen, je leven werd er door beheerst. Ik woonde in Voorburg in de Pompe van Meerdervoortstraat op de grens met Den Haag.
We zijn al voor de oorlog naar Voorburg getrokken toen zich een mooie gelegenheid voordeed om de zaak daar op te bouwen. Maar daarvoor zaten we in Den Haag op de Houtmarkt. De kartonnagefabriek zat daar ook. Die liep door tot de Schedeldoekshaven. Op de Houtmarkt waren geen joodse winkels, behalve een joodse slager, Koekoek. Ik ging altijd naar de sjoel in de Wagenstraat. Dat was van ons