bij het proletariaat. Het werd als heel normaal ervaren, dat een rabbijn een stelletje de choppe gaf, zonder dat hij ooit een woord met die mensen gewisseld had. Hij was voor hen een autoriteit, hij gedroeg zich in de meeste gevallen ook als zodanig.
De massa kwam niet in sjoel. Ik weet van horen zeggen, dat je in de Kazernestraat, wat een joodse staat was, een straat buiten de Muiderpoort, zemieres kon horen zingen. Ze-mieres zijn de gezangen die je vrijdagavond en op Sjabbesmorgen na het eten zingt. Ik heb midden in de Jodenhoek gewoond, bij het Waterlooplein, in de Jodenbreestraat en de Jodenhouttuinen, maar daar heb ik nooit zemieres gehoord. Wel in de Kazernestraat en misschien op de Plantage Muider-gracht, maar dat waren enkelen en zeer zeker alleen zij, die men beslist niet tot het proletariaat kon rekenen. Als ik dat doortrek naar de huidige situatie: een in aantal slinkende gemeenschap, een orthodoxie, die, omdat de vrijen verstek laten gaan, de dienst uitmaakt alsof die gemeenschap nog in situaties zou verkeren, zoals die in Oost Europa dan wel in de vorige eeuw in Nederland bestonden, dan ben ik huiverig voor de toekomst.