Een lening van het Joods Nationaal Fonds voor de bodem — een lening van het Opbouwfonds voor de inrichting (altijd te weinig — want er is niet genoeg!) wat eigen kapitaal en heel vaak (en heel jammer) een particuliere lening en dan begint de verkenning van de grond. Als de voorbereidingen voltooid zijn volgt dan de oprichting van de nederzetting, zo voortreffelijk door Koestier in zijn vroeger reeds aangehaalde boek beschreven.
Ik heb een dergelijke oprichting niet zelf gezien, maai' de verhalen die ik er van hoorde kwamen met deze beschrijving wel overeen.
Wagens met alles beladen in de nacht op weg — de tocht door onbekend land — de koortsachtige bouw aan de omheining en het opzetten van de toren — het eerste omploegen van het land (want dan pas is het hun land) en een enkele maal de eerste schermutseling met onwillige buren. Dan begint het leven van de kolonisten op eigen gebied.
Het eerste vaste huis is de eetzaal — voorlopig en vaak heel lang — tevens recreatiezaal. De kolonisten wonen in tenten — later in houten barakken. Er moet in iedere kolonie van de aanvang af één stenen huis zijn. Gaat het goed en breidt de kolonie zich uit — loopt het mee met de oogst — lukt het wat lonende industrie eraan te verbinden om het gehele jaar te kunnen doorwerken en meer mensen te kunnen opnemen — dan volgen er meer stenen huizen. Er worden bomen geplant — huisjes voor de getrouwden — straks de trots van iedere nederzetting het kindertehuis-tehuizen, maar dan zijn we al weer verder en nog altijd weet U niets van hun leven. —
Een Staat herrijst 9
129