als op de reis met Anna Swaerdemaeckers. Toen de schuit meerde om hen te ontschepen, gebood Manasse Gompertz om een loopplank uit te leggen en de schipper en de jager moesten een vaarboom ophouden, zodat hij die als een leuning gebruiken kon. Ook Geesje Seghers moest op die manier van boord gaan. Hij gaf de schipper en de jager een fooi, waarop zij hun muts afnamen en een beetje onderdanig dankten. Hij bleef op de wallekant staan om de trekschuit na te ogen en wuifde nog eens majesteitelijk naar de schipper, die terugzwaaide met zijn muts. Toen draaide Manasse zich om en zei: „Als een jood zich niets verbeeldt, is hij niets.”
„Ik begrijp u niet,” antwoordde ze bedeesd.
„En ik kan me begrijpen, dat een vrouw van Holland me niet begrijpt.”
Toen zweeg hij verbeten en wandelde met haar een landweggetje op dat naar een kleine hoeve voerde. Halverwege bleef Geesje staan, keek om zich heen. Het was alsof zij weer thuiskwam in Jisp. De kleine witte boerderij met het rieten dak, de kruiskozijnen met de glas in lood vensters, de roodwit geschilderde luiken, het geheel in de schaduw van een paar forse oude linden. Zover het oog reikte het vlakke land met zwartbont vee, hier en daar een boomgroep, waarin een andere hoeve verscholen lag. Ginds aan de horizon een paar dorpjes met een kerktoren en een paar molens. Heel in de verte wat kleine figuren bezig in een hooiweide. Hoog in de lucht stapelwolken, onbeweeglijk en zilverkleurig in de zon, eenzame vogels zweefden op een enkele wiekslag.
Bijna bedeesd liep zij verder, stond weer stil op het kleine erf.
Kippen scharrelden er bedrijvig pikkend rond, kakelden soms even onderdrukt, een roodwitte kat sloop om een paar kuikens, achter ruwhouten planken gromde een vette zeug. Een hond blafte fel, rukte aan zijn ketting. Een oude vrouw verscheen in de deur van de deel, tuurde even onder de hand door naar Manasse Gompertz, die midden op het erf was blijven staan, wachtend tot Geesje hem zou hebben ingehaald.
De boerin glimlachte, kwam bedrijvig naar hen toe, veegde haar handen af aan haar schort en knikte met het hoofd.
„Goeie morgen, boerin,” begroette haar Manasse Gompertz en reikte haar de hand. „En dit is de vrouw van de stuurman.”
De oude vrouw knikte welwillend naar Geesje en reikte ook haar de hand.
256