De homan en zijn knechten. Menselijke verbondenheid met een goede broodheer. Zij kwamen voor afscheid in de kerker, een bijzondere gunst van de president-sche-pen. Antwerpen was het krediet dat Hasselt zo nodig had. De Kerk gaf geen krediet. Openlijk mocht godsdienst geen zaken doen. Laten zij er zich dan niet mee bemoeien. Een arme Jood is niets. Een rijke Jood is goud. De schepen koos goud. Dus daarom die bijzondere gunst.
‘Homan, meld senhora Mocatta dat ik gezond ben. Dat ik met vertraging terugkeer naar Antwerpen. Vraag sen-hor Baëna naar Keulen te rijden, onze factoor daar los te kopen en zijn zaken te regelen. En deze brief is voor de provoost van de Portugese kolonie.’
De cipier wilde de brief afnemen. Mocatta vroeg autoritair:
‘Wilt u nog meer geld? Ganzeveer, inkt en papier heb ik u dubbel en dwars betaald.’
‘Ja, ik wil meer. Ik heb niet alle dagen het geluk een rijke Antwerpenaar te bewaken.’
‘De homan zal u driemaal betalen.’
De homan betaalde hetgeen hem opgedragen werd. Onbelemmerd kon hij met zijn knechten Hasselt verlaten.
Mocatta reed. Alleen. Na acht dagen kerker.
Grauw de gelaatskleur, grijzend geworden aan de slapen, de ogen diepliggend in donkere kassen. Vermagerd. Met een bijna ondraaglijk gevoel van moeheid.