113
Even zuchtte hij van opwinding, tastte achter zich naar de slip van z'n jas, nam z'n zakdoek en veegde z'n mond af.
„Wil U ’n glas water?" vroeg Jette, haastig naar voren schietend, „meneer Kan wil U 'n glas water?"
Hij schudde van nee met toëe oogen, die moeite minzaam overbodig rekenend. Dan borg-ie z'n zakdoek weer weg en ging, even rondziend, voort tot zijn ont-knooping, dalend tot een weer kalm inzettenden toon, als met een gemakkelijk-voomame rustigheid zijn, onder 't wandelen van sjoel naar hier overwogen toepassing uiteenzettend. Zachte kuchjes markeerden de ruischige stilte der gasten, die wachtten met aandacht, vooraart de zwartheid der mannen, kroeziger, stoffiger van zwaarwichtiger en dorder leven in de liohtdemping van winkel- en kamerwand; achteraan, meer verdeeld en kleuriger, met tusschen zich de witheid der dientafel en de verbrokkelde ordening der lekkernijen, en in het grijziger middaglicht, dat van de binnenplaats door 't raam vakte — de vrouwen. Rozette zat daartusschen als een vreemd, broos weeldeding; zij speelde met haar verlakte voetjes onder fijn-wit kantwerk en roomig-geel van rokken, 'zich vervelend bij Kan's bijbelverhaal, aan- en afkijkend naar en van Meijertje, die haar bij oogenblikken met kleine genot-oogjes begluurde.
„Welnu," begon Kan, weer met zachten inzet en dan langzaam-zwellenden toon, „gij zijt thans zeventig jaar." „Gij hebt een groot stuk van uw menschenleef-tijd, een groot gedeelte van het menschelijk leven achter u. Geachte vriend.... ook van ü kan men wel zeggen dat gij het land bespied hebt. . . . vóór gij daar komen zult: in dat heilige land, waar elk Jehoedie, waar elk rechtgeaard jood eens voor goed hoopt aan te komen. Want nietwaar? ons menschelijk leven is slechts een doorgang, is slechts een proef, vóór het gröote, ware leven, vóór het leven hier namaals! Gij hèbt het land bespied.... en gij hebt gezien.... dat
Zoekenden 8