160 ARON LAGUNA
loopt heen en weer, gaat dan zitten en neemt een courant. — Op het moment dat hij die wrevelig van zich afsmijt, komt Baruch binnen.
ACHTTIENDE TOONEEL. A r o n.
U al terug?
Baruch (aarzelend). Ja jongen, voor zoo'n drukte staat mijn kop niet meer. — Barmhartige Vader... wat 'n voetengeschuifel ... wat 'n menschenmassa in 't donker!... Ik ben dóódop!
Aron.
En de anderen?
Baruch.
Die zijn nog gebleven. — Is moeder boven? Aron.
Ik geloof... met grootmoeder.
Baruch.
Die werken de heele avond an de uitzet. (zich verkneuterend en zuchtend in een stoet). Hé-hé... rust is dlles!... (grijpt zijn pijp. Na een peinzen tot Aron, die weer de krant heeft opgenomen). Zeg Aroon... als het niet... te veel... gevergd is...
Aron (gedachteloos sprekend, terwijl hij doorleest).
Ja vader?
Baruch.
Nee jongen, spreken én lezen .., dit gaat niet.