ARON LAQUNA 137
Nathan (lachend invallend). ... worre ze allebéije morsig !... Waraehtig... ik praat de Zuijerzee droog!... Noh, dan gane we allemaal. — Nathan.., vooruit,... de wind in je zeile — en gezegend in 't verbond van Abraham.
ELFDE TOONEEL.
Judith en Raph nemen Baruch in hun midden, terwijl Lisa opkomt.
Lisa (naar Baruch). Blijf je niet te lang weg man?
Nathan (naar Lisa). Heb j/j nou nie zooveel sonatótetjes op je zang... Ik breng 'm terug, levend en wél! (hij buigt spottend voor mevrouw Pareira en voor Lisa). Wel te ruste ... doewarjiére ... God-zal־u loone-ik-heb-geen-kleingeld!... (onder een goeien-avond-gejoel van Raph en Judith gaan ze af, terwijl Nathan zingt:)... Twee-óliekoeke... die-deeje zoo-kemiek... Een stilte.
Mevr. Pareira. Wat een lastpot toch, die Rafeel!
Lisa.
Zwijg u stil — de meiden zijn doodsbang voor 'm.
Mevr. Pareira. Hij doet niks anders — an-één-stuk-dóór — als timmere tege de muren... klop ... klop... klóp ־— de Malgamawet!... de Dood bove!...