434
Jan in verwarring, die met Manus en Simbad den zakdoek eerlijk had willen deelen.
— Reussebaffiaan fan 'n gissert,... bleef Simbad tartend lachen, alsof hij Jan op een ״linke streek" betrapte.
— Stop!... of ik duw je test in de koelbak!... beet Gouwenaar er nijdig uit en Simbad scheen blij er met een pretje af te komen.
. Hij, die nooit een pikker vreesde, was onder de oogen van Jan bedremmeld.
— Wè fernaam binne jullie an 't poekele,... viel schamper Manus in... Jullie binne sekerst fan reusehooge stand en ofkompst hè?
Jan Gouwenaar lachte, omdat Manus het Maleisch niet verstaan had. Al zijn hartelijke en innige woorden gingen naar den Bochel; al zijn grimmige en kwaadaardige naar den uitsmijter.
— Nou, jij mag d'r segge wè je wil, Bochel,... goeiigde Jan,... Jij bin d'r 'n belangeloos mens, as... as ik d'r fan me leefe nie gesien-en-heb!
— La maar soo,... ik geef geen bakkerskindere brood,... weerde Manus stuursch af en rookte zich in wolken.
—. Maar die gast, die frind fan je ... is teugestrooms,... seg ik te veul? ... welneenet!... fertrouw ik nie bij 'n leeg flenelletje! Nee, die hebber te veuls uitgeslepe lichies in se ooge!
Simbad begon te grommen. Wat dacht die leelijke zeezwalker wel? Hij moest maar door zijn eigen ruiten loeren,... zoo'n Josepie kedin! Die poekelde als een goudvink. Twee kerfjes door zijn onderrad en hij lei te kermen!
Manus zag de vette rimpels op Simbad's laag voorhoofd met de brauwen saamfronsen. Het werd meenens bij den kwant. Het ging aandreigen. Daar wilde Manus niets van hebben. Wéér moest hij de bui over zijn eigen knar zien af te leiden en óp te vangen. Hij stoeide met pretjes naar Simbad's kant, vroeg hem of hij het Kopere Buikje nog wel ontmoette 's nachts bij Hokio en zijn ׳mooie zus.