I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
En Satan stond achter dien woord-alchimist, éven donkerrood opschimmend in den soms uit-schietenden vlamschijn van den smeltkroes.
Flaubert zag hem niet.
Hij zwoegde door, dóór, zonder te zien, vergetend z'n leven, keerend, smeltend, wentelend, tooverformules uitmurmelend; dan stollend, dan vloeibaar-makend z'n materiaal, z'n woord, z'n taal, z'n kadans, z'n rhythmus.
Z'n leven smolt hij meé in den smeltkroes.
Dat was Satans werk, Satan, dien hij niet achter zich voelde.
Soms spookte de vlam heel hoog uit in't duistere wondervertrek, groefden zich de rimpels dieper en snijdender in z'n hoofd, schrikbarend, maar tegelijkertijd juichte z'n moeë stem:
Gevonden, goud, goud! Z'n koper was edel metaal geworden.
Flaubert was een waarlijk groot werker, al liggen er nog zooveel drab en bezinksel op den bodem ״van zijn smeltkroes. Hij durfde z'n levenskracht verteren.